Lees verder
Lokale energiecoöperaties van burgers krijgen een steeds belangrijkere rol toebedeeld door gemeenten. De bedoeling van het klimaatakkoord is dat burgers en lokale bedrijven voor de helft eigenaar worden van lokaal opgewekte energie. In dat streven kunnen de coöperaties een sleutelrol vervullen, zo wordt gedacht. Inmiddels heeft vrijwel elke gemeente een of meerdere energiecoöperaties, valt op te maken uit de Lokale Energiemonitor van Klimaatstichting Hier.

De afgelopen jaren is het aantal energiecoöperaties sterk gegroeid. Inmiddels zijn het er 623, met bijna 100.000 leden of deelnemers aan projecten. De coöperaties zetten zich in voor het realiseren van wind- en zonne-energie, en ook steeds vaker voor nieuwe warmtebronnen als alternatief voor aardgas.

Toch is de hoeveelheid energie die wordt opgewekt met coöperatieve molens of zonnepanelen nog klein. Het gaat om 1,6 procent van de totale hoeveelheid zonne-energie in Nederland en 5,7 procent van de windenergie. Volgens onderzoeker Anne Marieke Schwencke, die de Monitor samenstelde, gaat dit in de nabije toekomst veranderen.

Gelijkwaardig

“De huidige projecten zijn ontwikkeld in de tijd voordat het klimaatakkoord de nadruk legde op die 50 procent lokaal eigendom”, zegt Schwencke. Inmiddels stellen steeds meer gemeenten dit als voorwaarde aan bedrijven. “Belangrijk is daarbij wel dat gemeenten zorgen dat burgers meteen vanaf het begin kunnen meepraten, zodat ze een gelijkwaardige positie krijgen ten opzichte van de commerciële ontwikkelaars.”

Als bewoners pas aan tafel komen als de grondcontracten met bedrijven al gesloten zijn, en de gemeente al medewerking heeft toegezegd, word je nooit meer gelijkwaardig, zegt ze. Bewoners zijn doorgaans vrijwilligers en leggen het gemakkelijk af tegen commerciële bedrijven die miljoenen kunnen investeren.

‘Drentse toestanden’

Bij de realisatie van 14 windmolens in de Betuwe vorig jaar waren burgers wel vanaf het begin betrokken. Drie daarvan staan op een gesloten vuilstort en elf langs de A15. Directeur Gerlach Velthoven van energiecoöperatie Betuwewind, ooit begonnen als docent marketing, heeft er inmiddels zijn beroep van gemaakt. In de jaren die aan de plaatsing van de molens vooraf gingen, heeft hij in ieder geval één ding geleerd.

“Als je wilt dat het Klimaatakkoord gaat werken, moet je zorgen dat meteen vanaf het begin bewoners het gezicht van het project worden. Daardoor voorkom je wat wij ‘Drentse toestanden’ noemen.” Hij doelt op de weerstand die er in Drenthe is ontstaan tegen windmolens.

“Dan nog is niet iedereen het ermee eens, maar je bent wel aanspreekpunt voor je omgeving. Je kunt uitleggen waarom het belangrijk is. Nu zijn het vaak grote projectontwikkelaars, die pas later zichtbaar worden voor de omgeving en dat wekt argwaan”, zegt Velthoven. En er is volgens hem nog een reden om er vanaf het prille begin bij betrokken te willen zijn: geld.

Weerstand tegen windmolens

De grootste winst van een windpark wordt gemaakt in de ontwikkelingsfase. Het financiële risico is dan nog het grootst, maar ook de mogelijke winst. “Daarom hadden wij een superhoog rendement in die voorfase, en maken we nu een half tot één miljoen euro winst per jaar, boven op de rente die we aan de deelnemers hebben betaald.”

Maar belangrijker nog dan geld is het meedenken over randvoorwaarden en locaties van duurzame energie, zegt Velthoven. “De Betuwe is een vruchtbaar gebied, daarom zie je hier weinig zonnevelden. Dat is niet altijd gemakkelijk, want ook hier is weerstand tegen windmolens. Maar uiteindelijk vonden de meeste mensen het goed.”

Sowieso zou windenergie de boventoon moeten voeren, vindt Velthoven, omdat het in Nederland ongeveer vier keer zoveel waait als dat de zon schijnt. Bovendien neemt windenergie minder ruimte in. Volgens TNO is er acht hectare aan zonneparken nodig om de opgewekte energie van één windmolen met een vermogen van vijf megawatt te halen.

De samenwerking tussen coöperaties en bedrijven bij windprojecten is nu doorgaans goed, signaleert Velthoven. Maar bij zonne-energie is het een ander verhaal. “Zonneprojecten komen veel sneller tot stand en dan heb je als vrijwilliger nooit hetzelfde tempo als bedrijven.”