Lees verder
In de tijd dat het neoliberalisme de wind in de zeilen had, werd de energievoorziening een markt. Grote bedrijven gingen de dienst uitmaken. Burgerinitiatief Deltawind uit Zuid-Holland biedt tegengas. Kan het trouw blijven aan zijn idealen, nu het een serieuze speler is?

Die nieuwe turbines leveren zó veel energie op, joh”, zegt Monique Sweep (1962) enthousiast. In een elektrisch stadsautootje rijdt ze de Grevelingendam op, tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland in Zeeland. Rechts schieten zeven ultramoderne windmolens de dichtbewolkte lucht in, met wieken die tot de helft van de mast komen. Van dichtbij zie je pas goed hoe vervaarlijk lang die zijn.

“Enercon-molens”, onderwijst Sweep. “Gemaakt van beton, een beetje plomp zijn ze wel. Maar moet je nagaan, de mast is 140 meter hoog, de wieken komen tot 200 meter!” Links doemen ook windmolens op, die ietwat slanker ogen. Hun wieken zijn nog langer, ze raken bijna de grond. “Nordexjes”, knikt Sweep, haast vertederd. Van een ander bedrijf, Nordex, dat molens uit staal vervaardigd. “Ze zijn gloednieuw. Ik zie ze nu voor het eerst draaien.”

Dit zijn haar molens. Of althans, haar coöperatie heeft ze laten bouwen. Sweep is directeur van Deltawind, een van de grootste energiecoöperaties van Nederland. Van een handjevol vrijwilligers groeide de coöperatie­­ uit tot een flinke speler in de regio, met 2400 leden, elf betaalde medewerkers en 59 molens (in mede-eigendom), plus een zonnepark.

Een alternatief voor kapitalisme

Deltawind, opgericht in 1989, hoorde bij de eerste generatie energiecoöperaties in Nederland, zegt Sweep. “Daar zijn er zeven van over.” Rond 2006, na An inconvenient truth, de film die Al Gore maakte over klimaatverandering, kwam er een tweede golf, vooral gericht op zonne-energie. Er zijn nu 623 energiecoöperaties.

Sweep werkt al haar hele leven voor coöperaties. Tijdens haar studie voor bouwkundig ingenieur in Delft richtte ze haar eerste coöperatie op, voor bewoners van nieuwbouwwijken die iets wilden doen tegen bodemvergiftiging. Daarna volgden andere, tot ze in 2009 bij Deltawind kwam en naar Goeree­­-Overflakkee verhuisde.

Het mooie aan coöperaties vindt ze dat ze “van en voor de mensen zelf” zijn. Daarmee bieden ze een alternatief voor het kapitalisme: “Grote bedrijven zijn gericht op aandeelhouders, hebben louter een winstoogmerk en staan ver van de gewone mensen af.” Coöperaties zijn ‘verenigingen met een bedrijf’, die niet uitsluitend op winst gericht zijn, of zelfs helemaal niet. “Het idee is: je hebt als burgers een gezamenlijk belang en bundelt je financiële middelen om voor elkaar te zorgen.”

Coöperaties ontstonden in de negentiende eeuw in de agrarische sector en in de wereld van de verzekeringen. Energiecoöperaties kwamen eind jaren tachtig van de twintigste eeuw op, in een tijd dat het neoliberalisme politiek de wind in de zeilen kreeg, zegt Sweep: openbare nutsbedrijven werden geprivatiseerd, energievoorziening werd een markt waarop multinationals de dienst uitmaken. “Die boden geen duurzame energie. Wie dat wel wilde, moest zelf iets organiseren. Een windmolen kun je niet in je eentje betalen, dus richtten burgers coöperaties op.”

Deltawind begon met twintig mensen. “Die bouwden in 1991 hun eerste turbinetje.” Ze glimlacht: “Een tweewieker, 18 meter hoog.” De eerste dertien jaar was Deltawind een vrijwilligersorganisatie. “Alle winst uit die eerste turbine werd gebruikt om een tweede te bouwen. En toen nog een, en nog een. Toen kwam er genoeg geld binnen om een windpark van zeven molens te bouwen. En daarna eentje van twaalf. In 2002 kwam de eerste medewerker in dienst, parttime.”

Het was een omslagpunt: “De gemeente begon ons echt als een bedrijf te zien, zoals Eneco. Je moet professionaliseren, anders word je niet serieus genomen.”