Lees verder

De coöperatievorm bestaat als sinds de Middeleeuwen maar kreeg een grote vlucht vanaf het begin van de negentiende eeuw, met name in Groot-Brittannië en Frankrijk. De Industriële Revolutie was hiervoor de gangmaker, toen de economische positie van veel arbeiders en toeleveranciers van industriële ondernemingen zienderogen verslechterde. De aanleiding voor het opzetten van een coöperatie was vaak het inzicht om met een gezamenlijk bedrijf sterker te staan en meer te bereiken dan alleen.

Een van de vroege voorbeelden van een coöperatie is de Rochdale Society of Equitable Pioneers. Dat is een groep wevers die in 1844 een winkel begon voor de verkoop van voedingsmiddelen voor de aangesloten leden, als alternatief voor de te dure voedingsmiddelen die zij moesten afnemen van het bedrijf waarvoor zij werkten.

Deze vroege coöperatie is vooral bekend geworden doordat zij werkte op basis van een aantal duidelijke uitgangspunten, de ‘Rochdale Principles’. Deze uitgangspunten zijn ook nu nog de basis voor heel veel coöperaties. De International Co-operative Alliance (ICA) heeft de Rochdale Principles een aantal malen geactualiseerd.

De zeven principes:

 

  1. Open en vrijwillig lidmaatschap
    Coöperaties zijn gebaseerd op vrijwilligheid, je kunt niet verplicht worden om lid te worden. Ze zijn open voor iedereen die gebruik kan maken van hun diensten en die verantwoordelijkheid als lid wil opnemen – zonder enige discriminatie op basis van geslacht, sociale afkomst, ras, politieke voorkeur of religie.
  2. Democratische controle door de leden
    Coöperaties zijn democratische organisaties die door hun leden worden gecontroleerd. De leden participeren actief in het uitstippelen van het beleid en in het nemen van beslissingen. Wie een verkozen mandaat krijgt, is verantwoordelijk voor de onderneming en verantwoordt zich tegenover de leden. Leden van een coöperatie hebben zeggenschap naar de mate waarin ze gebruik maken van de coöperatie. Niettemin zijn er veel coöperaties waarin – als het ware om elk democratisch misverstand te voorkomen – de regel ‘one man one vote’ geldt.
  3. Economische participatie van de leden
    Zoals een beursvennootschap haar financiering haalt bij externe beleggers, zo moet een coöperatie het hebben van gebruikers die er geld in willen steken. Bij een beginnende coöperatie is dat vaak goed te doen, maar zeker na enige groei zal men daar wat huiverig over worden. Alternatieven voor financiering zijn een stevig entreegeld en een veel gebruikte methode is om het financiële exploitatiesaldo zoveel mogelijk binnen het bedrijf te houden. Dit wordt kapitaal ‘in de dode hand’ genoemd, omdat het eigendom is van het coöperatieve bedrijf en dus eigenlijk van niemand. De coöperatie heeft slechts het vruchtgebruik. Jaarlijks wordt een deel van de winst (die anders zou zijn uitgekeerd aan beleggers) in de coöperatie gehouden. Op zich zou je dat deel op naam van de leden kunnen laten staan, maar dan creëer je toch weer een soort aandeelhouderschap dat op termijn een scheefheid in de zeggenschapsrelatie kan geven. Niettemin zien we de laatste decennia wel de invoering van vermogen op naam. Om te bewaken dat het gebruik en niet het rendement op ingebracht vermogen centraal blijft staan, is het zaak dat de leden investeren naar de mate waarin ze van de coöperatie gebruikmaken. Het effect van die regel is dat het rendement op ingelegd vermogen geen bijzondere rol hoeft te spelen in de discussie: elk lid investeert per eenheid gebruik en of de coöperatie het goed of slecht doet merk je ook per eenheid product. De leden van de coöperatie krijgen een beperkt rendement op het ingebrachte vermogen. In sommige landen is dit zelfs wettelijk vastgelegd. De uitkering van deze winst (of: exploitatiesaldo) is gebaseerd op de conditie van de relatie tussen de leden en de coöperatie.
  4. Autonomie en onafhankelijkheid
    Coöperaties zijn autonome, zelfredzame organisaties onder toezicht van de leden. Als ze overeenkomsten aangaan met andere organisaties en/of met overheden, of als ze extern kapitaal aantrekken, doen ze dat op zo’n manier dat de democratische controle van de leden en de autonomie van de coöperatie gewaarborgd is.
  5. Onderwijs, vorming en educatie
    Coöperaties voorzien leden, bestuurders, directie en werknemers van onderwijs en vorming, zodat zij werkelijk kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van hun coöperatie. Zij informeren het grote publiek over de aard en de voordelen van coöperatief ondernemen.
  6. Samenwerking tussen coöperaties
    Door samen te werken in lokale, regionale, nationale en internationale structuren, versterken coöperaties de coöperatieve beweging en bieden ze doeltreffende dienstverlening aan hun leden.
  7. Zorg voor een duurzame maatschappij
    Coöperaties dragen bij aan de duurzame ontwikkeling van de samenleving. Coöperaties zetten zich in voor hun leden en (lokale) gemeenschappen. De ontwikkeling op lange termijn staat bij de coöperatie centraal. Zorg voor de samenleving en duurzaamheid zijn hier onlosmakelijk aan verbonden.

The Electric Cooperative Story  is een mooie illustratie van de toepassing van de zeven uitgangspunten bij een Amerikaanse coöperatie.

De animatie "The Electric Cooperative Story" is een mooie illustratie van de toepassing van de zeven uitgangspunten bij een Amerikaanse coöperatie
The story of the Rochdale pioneers, een animatie
De animatie "The Electric Cooperative Story" is een mooie illustratie van de toepassing van de zeven uitgangspunten bij een Amerikaanse coöperatie