Lees verder
Financieel toezicht wordt vaak geassocieerd met ‘klassieke’ financiële ondernemingen, zoals banken, verzekeraars, financieel adviseurs en beleggingsfondsen. De reikwijdte van het financiële toezicht is echter veel ruimer. Veel ondernemingen zijn zich hier onvoldoende van bewust en beseffen zich niet – of te laat – dat de Wet op het financieel toezicht (Wft) ook op hen van toepassing kan zijn. Dat de regelgeving sinds de kredietcrisis is verveelvoudigd, jaarlijks wijzigt en bepaald niet toegankelijk is voor een ondernemer die hier niet dagelijks mee te maken heeft, maakt het er niet makkelijker op. En dat terwijl handelen in strijd met de Wft kan worden gehandhaafd door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), strafbaar is en kan leiden tot forse boetes.
Michiel Claassen

Hoewel het financieel toezicht ruim is, is het uiteraard wel begrensd. De vraag is dan ook wanneer een belletje zou moeten rinkelen dat nader onderzoek is geboden. Heel globaal gesteld, is het financiële toezicht erop gericht consumenten te beschermen enerzijds tegen verlies van gelden die zij aan anderen toevertrouwen en anderzijds tegen het risico van financiële producten/investeringen. Voor banken die gelden van klanten onder zich houden gelden bijvoorbeeld kapitaaleisen en worden eisen gesteld aan de organisatie en het bestuur. Voor het aanbieden van kredieten of verzekeringen aan consumenten gel­den allerlei informatieverplichtingen en voor de uitgifte van effecten is een goedgekeurd prospectus (informatie­document) vereist.

Het voorgaande betekent dat als een coöperatie gelden van haar leden ontvangt die moeten worden terugbe­taald (bijvoorbeeld een ledenlening), er een belletje zou moeten gaan rinkelen. Dat is ook het geval als een coöperatie haar leden financiële producten aanbiedt (bijvoorbeeld een krediet of verzekering) of de moge­lijkheid biedt financieel te participe­ren. Daarmee is niet gezegd dat het niet kan, maar dan zou wel moeten worden bezien hoe de plannen toezichtrechtelijk kwalificeren en gelden wellicht randvoorwaarden om rekening mee te houden, zoals ver­gunningplicht of informatieverplich­tingen. Een aantal financiële diensten waarmee een coöperatie in aanraking zou kunnen komen, wordt hieronder toegelicht.

“Wanneer is een vergunning nodig voor financiële dienstverlening?”

Bankieren en opvorderbare gelden

Er zullen maar weinig coöperaties zijn die zichzelf zien als een bank. Banken zijn immers grote, commer­ciële ondernemingen, die gelden van rekeninghouders onder zich houden en leningen verstrekken. Omdat de definitie van bank in de Wft echter veel algemener is, kan het zo maar gebeuren dat een coöperatie toch als bank moet worden aangemerkt. Bijvoorbeeld als een coöperatie wordt gefinancierd door haar leden in de vorm van leningen en de coöpera­tie die leningen vervolgens weer doorleent aan een andere entiteit. Het aantrekken van ‘opvorderbare gelden’ (dat zijn leningen) van het ‘publiek’ om deze gelden vervolgens weer door te lenen, maakt dat sprake is van bankieren, hetgeen niet is toegestaan zonder vergunning van DNB.

Maar niet alleen bankieren zonder vergunning is verboden, ook het louter aantrekken van opvorderbare gelden van het publiek zonder ver­gunning is niet toegestaan. De term ‘publiek’ luidde voorheen ‘buiten besloten kring’, hetgeen wellicht een klank van herkenning is. Vaak lijkt te worden gedacht dat de leden van een coöperatie per definitie een besloten kring vormen en het verbod op het aantrekken van opvorderbare gelden of het bankverbod dus niet van toepassing zijn. Dat is echter te kort door de bocht en zal zeker niet in alle gevallen zo zijn. Al was het maar om­dat de juridische relatie (het lidmaat­schap) al moet bestaan vóórdat het voornemen bestaat om opvorderbare gelden aan te trekken.

Prospectusplicht en beleggingsinstelling

Wat betreft het product- en investe­ringsrisico richt het toezicht zich op aanbieders van allerlei soorten be­leggingsproducten, kredieten en ver­zekeringen. Wanneer een coöperatie participaties, aandelen of obligaties uitgeeft, kan sprake zijn van effecten in de zin van de Wft. Voor het aan­bieden van effecten aan het publiek is een door de AFM goedgekeurde prospectus vereist. Een prospectus is bedoeld om investeerders inzicht te geven in het product waarin zij beleg­gen, alsmede in het bedrijf waarin zij investeren.

Van een beleggingsinstelling kan ver­volgens sprake zijn als de coöperatie het bij haar leden opgehaalde kapitaal in het belang van de leden belegt, waarbij het rendement terugstroomt naar de leden naar rato van hun inleg. Een vaak terugkerend discussiepunt in dit kader is of de coöperatie belegt of niet. Een coöperatie die het opgehaalde kapitaal namelijk gebruikt om zelf pro­ducten te fabriceren, belegt niet, maar onderneemt. Het onderscheid tussen beleggen en ondernemen is echter diffuus en biedt ruimte voor discussie.

Afrondend

In de basis is een veelheid van financiële diensten verboden zonder vergunning van DNB of de AFM. Afhankelijk van de financiële dienst gelden daarnaast veelal verschillende uitzonderingen en vrijstellingen. Het vraagt evenwel een nauwgezette analyse van iedere case in combi­natie met gedetailleerde kennis van alle verboden, vergunningsplichten, vrijstellingen en uitzonderingen om te kunnen bepalen of iets wel of niet kan, dan wel onder welke voorwaarden iets kan. Vaak zit het venijn in de details en de nuances. Deze kunnen net het verschil maken tussen wel of geen vergunningplicht.