Lees verder
In het voorjaar van 2021 heeft oud-staatssecretaris Mona Keijzer een wetsvoorstel voor een maatschappelijke onderneming (BVm) ter consultatie voorgelegd. Echter dit wetsvoorstel is overbodig naast de al reeds bestaande rechtsvormen. Daarbij is de keuze voor de BV als basis-rechtsvorm voor een maatschappelijke onderneming niet logisch. Hoewel de coöperatie beter voldoet aan de behoefte om krachten uit de samenleving te bundelen, zullen gemeenten en financiers schijnzekerheid zoeken in de BVm. Dit mede door de onbekendheid met de coöperatieve rechtsvorm.
Marijke Flamman, Rob Donker

Doel van de wettelijke regeling

In maart 2021 is door Mona Keijzer de aanzet voor een dergelijke wettelijke regeling1 ter consultatie voorgelegd. Tot op heden is dit de status quo. Indien een onderneming/ BV aan bepaalde voorwaarden voldoet, mag deze zichzelf een BVm noemen. Met de introductie van de nieuwe kwalificatie zou het vooral voor zakelijke relaties meteen duidelijk moeten worden dat ze met een onderneming te maken hebben die maatschappelijke impact prioriteert boven het uitkeren van winst aan haar aandeelhouders. Ondernemers zouden tot nu toe een gebrek aan (h)erkenning ervaren om optimaal hun doelen te behalen. Keijzer: ‘De BVm zorgt voor een betere erkenning van, en daarmee waardering voor het maatschappelijk karakter van onze sociale ondernemers. Voor financiers, leveranciers en consumenten wordt het gemakkelijker om sociale ondernemingen te herkennen en om vanuit deze gedeelde visie zaken te doen.’

Kern voorstel voor een maatschappelijke onderneming

Hoewel er nog geen concrete wettekst ligt, benoemt het wetsvoorstel onderwerpen waar een BVm aan dient te voldoen. Maatschappelijke ondernemingen stellen niet het uitkeren van winst aan aandeelhouders voorop, maar het realiseren van positieve maatschappelijke impact. Bij winstbestemming (en andere uitkeringen) zal de verwezenlijking van het maatschappelijk doel voorop moeten worden gesteld; de meeste winst moet terugvloeien naar de onderneming ten behoeve van het maatschappelijke doel. Openbare verslaglegging in een maatschappelijk jaarverslag (of in het bestuursverslag) over onder meer behaalde maatschappelijke resultaten is verplicht. Het overschot bij ontbinding van de BVm moet worden bestemd voor een andere BVm of een andere rechtspersoon met een ideëel of sociaal doel.

De vraag die zich hier voordoet, is waarom er als basis gekozen is voor de BV, en niet voor de coöperatie. En de vraag voor welk probleem dit wetsvoorstel een oplossing meent te bieden.

Coöpereren, samenwerken, verbinden, voor elkaar zorgen, solidariteit, maatschappelijke betrokkenheid, duurzaamheid. Woorden en begrippen die al eeuwenlang verbonden zijn aan de coöperatieve rechtsvorm. Alleen ga je snel, samen kom je verder.

Coöperatie versus BV

Uit recent uitgevoerd onderzoek2 blijkt de gemiddelde Nederlander positieve associaties te hebben met de coöperatie. Kenmerken als ‘gericht op samenwerking, betrokken bij de samenleving, lange termijn oriëntatie, betrouwbaar en duurzaam’ vindt men meer bij coöperaties passen dan bij niet-coöperaties.3

Volgens de International Cooperative Alliance (ICA) bestaan de basiswaarden van coöperaties uit zelfred-zaamheid, eigen verantwoordelijkheid, democratie, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit. Eén van de 7 door ICA geformuleerde principes luidt: Coöperaties werken voor de duurzame ontwikkeling van hun gemeenschap via beleidsmaatregelen die goedgekeurd worden door de leden.

De Coöperatie Code 20194 bevat een aantal breed gedragen coöperatieve principes en gedragsregels. De Code is opgesteld door NCR en is bedoeld voor alle coöperaties, groot en klein, ongeacht de sector waarin men actief is. In de Coöperatie Code 2019 lezen we dat de coöperatie zich richt op lange termijn waardecreatie (principe 3). Deze waardecreatie kan volgens de Coöperatie Code gericht zijn op de gemeenschappelijke behoeften van de leden om hun sociale en/of culturele en/of economische positie te versterken, maar kan ook zijn gericht op maatschappelijke waardecreatie. De coöperatie kent daarbij zelf geen winststreven, maar dient het belang van de leden.

Het is gissen naar de reden waarom toch wordt omgekeken naar de BV als basis-rechtsvorm voor de maatschappelijke onderneming. Uit eerder genoemd onderzoek van NCR/Motivaction is naar voren gekomen dat de gemiddelde Nederlander vrij bekend is met de rechtsvorm en aspecten van de coöperatie. Het begrip en de naam coöperatie worden herkend, maar inhoudelijk is de kennis zeer beperkt. Bij aanbestedingen die gedaan moeten worden in het kader van de WMO worden door bepaalde gemeenten nog steeds zorgcoöperaties geweigerd, vanwege onbekendheid met de rechtsvorm. Dat is opmerkelijk omdat veel andere gemeenten samenwerking van zelfstandige zorgprofessionals daarentegen als voorwaarde voor de gunning van een aanbesteding stellen. Deze tegengestelde bewegingen lijken hun oorzaak te vinden in onbekendheid met de (kenmerken van de) coöperatie. Het gaat om een rechtsvorm waarbij de leden een gezamenlijke behoefte delen die door de coöperatie wordt gediend. En die kan variëren van een dorpscoöperatie waar de inwoners hun krachten bundelen om zo de leefbaarheid lokaal te verbeteren, via een energiecoöperatie waar de leden er de voorkeur aan geven zelf hun energie op te wekken, tot een deelauto coöperatie waar buurtbewoners uit milieu overwegingen of anderszins, met elkaar een auto delen.

Voor het sociaal ondernemen kennen we in Nederland al een rechtsvorm, de coöperatie, met een duidelijke maatschappelijke connotatie.

Nederland kent de laatste jaren een substantiële groei in coöperaties, al vallen de absolute aantallen in het niet in vergelijking met vele andere Europese landen. Zo telden we anno 2016 7.969 coöperaties tegen ruim 9.304 in Q1 20205. Deze groei hebben we voornamelijk te danken aan de sectoren energie, zorg en huisvesting (+152% resp. +36% resp. +28%). Het is voor onze toekomst van belang dat we deze groeibeweging waar mogelijk stimuleren, niet alleen in woord maar ook in daden. Waarbij het sociaal maatschappelijke eenduidig bij de coöperatie blijft horen, en niet bij de BV.

Voor het sociaal ondernemen kennen we in Nederland dus al een rechtsvorm, de coöperatie, met een duidelijke maatschappelijke connotatie. Behoefte aan het creëren van een extra rechtsvorm waarbij gebruikt wordt gemaakt van de BV als kapitaalvennootschap is er niet, en maakt het ondernemingsrechtelijke landschap onnodig breed en diffuus.

Het risico van dit wetsvoorstel is er in gelegen dat de financieringsmogelijkheden voor de coöperatie zullen afnemen. De kans is reëel dat financiers, leveranciers en consumenten zullen hechten aan de (schijn)zekerheid die de kwalificatie BVm met zich draagt en de coöperatie links zullen laten liggen. Een situatie die zich momenteel nog moeilijk laat overzien maar waar we met elkaar bij weg willen blijven.

Gezien het voorgaande rest er voor het wetsvoorstel van de BVm slechts één route: exit.

NOTEN
1 https://www.internetconsultatie.nl/bvm
2 Nederlanders over coöperaties, NCR, B6710, uitgevoerd door Motivaction
3 https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/03/05/consultatie-maatschappelijkebv-bvm-volgende-stap-in-erkenning-socialeondernemers
4 https://www.cooperatie.nl/informatie/principesen-voorschriften/
5 https://www.cooperatie.nl/artikelen/het-nederlandsecooperatieve-landschap-2020/