Log in Item aanvragen
Het verhogen van ledenbetrokkenheid wordt vaak gezien als instrument om de verbinding tussen de leden te vergroten: ‘de neuzen dezelfde kant op’. In de juni uitgave van Coöperatie werd ledendifferentiatie gepresenteerd als mogelijke oplossing voor een (te) gefragmenteerd ledenbestand. Maar: wanneer voldoet een operationele verandering en wanneer is het slechts symptoombestrijding van een probleem dat meer fundamenteel van aard is? Onderzoek en theoretische modellen kunnen handvatten bieden om door een andere bril te kijken naar de probleemstelling. In dit artikel belichten wij een theoretische kijk op ledenheterogeniteit.
Martijn den Ouden

Constantine Iliopoulos (directeur/onderzoeker bij AGRERI, een Grieks agrarisch-economisch onderzoeksinstituut) en Vladislav Valentinov (onderzoeker bij IAMO, een Duits agrarisch-economisch onderzoeksinstituut) hebben onderzoek gedaan naar agrarische coöperaties en hun inspanningen in het omgaan met heterogeniteit binnen het ledenbestand. De onderzoekers verwachten dat de bevindingen uit hun onderzoek ook toepasbaar zijn op andere sectoren.

Heterogeniteit in het ledenbestand is niet per definitie een slechte uitgangspositie. Diversiteit onder de leden (in leeftijd, geslacht en achtergrond) kan gezien worden als een vorm van positieve heterogeniteit: hierdoor kunnen meer invalshoeken en uitgangspunten op de bestuurstafel terecht komen. Echter, als deze diversiteit de kijk op het gezamenlijke doel gaat vertroebelen ontstaan er problemen. Maar hoe beoordeel je of je leden meer moet betrekken, het speelveld moet gaan oprekken of dat er bepaalde leden moeten vertrekken?