Log in Item aanvragen
Eind december verscheen een rapport van ruim 600 pagina’s waarin drie hoogleraren van de Rijksuniversiteit Groningen op verzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Wet bestuur en toezicht evalueren. Die wet, die vooral betrekking heeft op de naamloze en de besloten vennootschap, is nu vijf jaar van kracht. De evaluatie gaat in op de ervaringen in die vijf jaar op het gebied van het monistisch bestuursmodel, de limitering van het aantal toezichtfuncties en het streven naar meer vrouwen in de raden van bestuur en raden van commissarissen. Omdat deze onderwerpen ook coöperaties kunnen raken, is het nuttig om de evaluatie eens nader te bekijken vanuit het perspectief van de coöperatie.
Günther Rensen

Monistisch bestuursmodel

De wettelijke basis voor een bestuur waarin zowel uitvoerende als niet-uitvoerende bestuurders zitting hebben, het monistisch bestuursmodel of ook wel one tier board model genoemd, is voor de NV en de BV bij de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013 ingevoerd. Kenmerk van dit bestuursmodel is dat er geen afzonderlijke raad van commissarissen is, maar dat de toezichthouders als niet-uitvoerende bestuurders deel uitmaken van het bestuur. Het evaluatierapport bevat tal van interessante cijfermatige informatie over vennootschappen met een one tier board. Zo blijkt dat er in totaal 443 vennootschappen een dergelijk bestuursmodel hebben, waarvan 385 BV’s. Ook komt naar voren dat het monistisch bestuursmodel vooral bij micro en kleine vennootschappen wordt toegepast, zij het dat het bij beursgenoteerde vennootschappen verhoudingsgewijs vaker voorkomt, namelijk bij 26% van de vennootschappen. Over de verhouding tussen het aantal uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende bestuurders zegt de wet niets. Uit de evaluatie blijkt dat bij 51% van de vennootschappen het aantal niet-uitvoerende