Over coöperaties

Een coöperatie is een relatief onbekende ondernemingsvorm, die vroeger in Nederland vooral in de land- en tuinbouw voorkwam. Coöperaties werden voornamelijk opgericht om de econonomische macht van kleinere ondernemers te vergroten en om schaalvoordelen te behalen. Steeds ging het om individuen die, ondanks hun relatief beperkte individuele slagkracht, grip wilden krijgen of houden op hun eigen toekomst. Ze gingen samen inkopen of verkopen, of samen een bedrijf, verzekering of bank opzetten die de leden op maat moest bedienen.

In het geval van coöperaties leidt zo’n samenwerking tot een onderneming. De ondernemers wilden in de markt een doel bereiken dat ze alleen niet konden realiseren. Daarom richten ze een vereniging op die vervolgens een bedrijf opzet om dat doel te realiseren, een coöperatie.

De laatste jaren is de coöperatie ook in andere sectoren in opmars. Op dit moment staan circa 8.000 coöperaties ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Deze coöperaties zijn niet allemaal economisch actief.

Coöperatie volgens de wet

In het Burgerlijk Wetboek staat wat de Nederlandse wet onder een coöperatie (of een coöperatieve onderneming) verstaat.

Samengevat komt het hierop neer:
a. Een coöperatie is een vereniging;
b. Die vereniging exploiteert een bedrijf;
c. Dat bedrijf voorziet in ‘bepaalde stoffelijke behoeften’ van de leden;
d. En sluit daartoe overeenkomsten af met die leden.

De moeilijkste termen zijn die stoffelijke behoeften. De term stoffelijk – materieel, economisch – sluit aan twee zijden iets uit. Het gaat niet om idealen of andere onstoffelijke zaken, maar het gaat ook niet alleen maar om winst. Het gaat om stoffelijke behoeften: om (economische) producten of diensten. En het gaat niet om alle behoeften van de leden, maar uitdrukkelijk om bepaalde behoeften. Welke dat precies zijn staat vermeld in de statuten van de coöperatie. De leden doen zaken met hun coöperatieve bedrijf: ze sluiten er een overeenkomst mee af. Dat wil dus zeggen dat er binnen de coöperatie sprake is van twee partijen; de leden en het bedrijf. In hetzelfde wetsartikel wordt ook de onderlinge waarborgmaatschappij beschreven. Dit is een vereniging waarbinnen de leden onderling hun risico’s delen (denk bijvoorbeeld aan brand, ziektekosten en autoschade). Dit is ook een coöperatie, maar er gelden enkele aparte wettelijke regelingen voor.

De wettekst over de coöperatie is erg flexibel. Over de mogelijke doelen van een coöperatie wordt bijvoorbeeld niks gezegd en daarom komen er dan ook allerlei soorten coöperaties voor:

  • Consumentencoöperatie: als consumenten besluiten om gemeenschappelijk producten of diensten in te kopen. Voorbeelden van bekenden consumentencoöperaties zijn Rabobank, Coop, Univé en Dela.
  • Ondernemerscoöperatie: ook ondernemers kunnen zo’n (inkoop)samenwerking aangaan. In een ondernemerscoöperatie kunnen ook afspraken gemaakt worden over de verkoop van producten of diensten, transport, verwerking en export. Belangrijke ondernemerscoöperaties zijn FrieslandCampina en Primera. 
  • Werknemerscoöperaties: hier zijn de werknemers eigenaren van het bedrijf. Coöperaties van werknemers komen in Nederland praktisch niet voor. 
  • Multi-stakeholder coöperatie: in deze coöperatie zijn er verschillende typen leden (ondernemers, consumenten, medewerkers), maar ze hebben samen één duidelijk doel. Bij coöperatie CNB bijvoorbeeld kunnen zowel kwekers als handelaren in bloembollen lid worden. Oregional richt zich op de vermarkting van streek en streekproducten en biedt naast het lidmaatschap voor agrarische ondernemers ook consumenten de mogelijkheid om te participeren in de coöperatie. De Rabobank verenigt zowel spaarders als leners.
  • Overheidscoöperatie: hier zijn de leden van de coöperatie uitsluitend overheden. Er bestaan overheidscoöperaties waarbinnen bijvoorbeeld gemeenten samenwerken zoals in ParkeerService het geval is. Coöperaties kunnen op het grensvlak van het publieke en private domein bijdragen aan een samenleving waarin burgers meer verantwoordelijkheid nemen voor de voorziening in producten en dienstverlening waaraan zij behoefte hebben.

Sectoren

De grootste coöperaties en onderlingen in Nederland van dit moment zijn vooral afkomstig uit de land- en tuinbouw, de financiële dienstverlening en de verzekeringssector. Tegenwoordig is de coöperatie ook sterk in opkomst in andere sectoren, zoals zorg, onderwijs, energie, en publieke dienstverlening. Ook zelfstandige professionals zoeken samenwerking in coöperatief verband. In Coöperatie+ De economische positie van de coöperatie uit 2012 staat meer beschreven over de verschillende sectoren waarin coöperaties actief zijn, en is een Top 100 van coöperaties naar omzet opgenomen. In maart 2015 is een nieuwe Nederlandse Coöperatie Top 100 gepresenteerd. Dat coöperaties in een aantal sectoren hoge marktaandelen hebben wordt duidelijk in dit artikel uit Coöperatie (2014).

Gebruikers van de coöperatie

Gewoonlijk is een onderneming eigendom van ondernemers of beleggers die als doel hebben daar geld mee te verdienen. Zo’n onderneming doet zaken met andere partijen en wil daar zoveel mogelijk aan over houden. In het geval van een particuliere onderneming gaat het om de ondernemer zelf, en in een vennootschap om de beleggers of aandeelhouders. Centraal staat de vraag of er winst gemaakt wordt. En vooral aandeelhouders willen bovendien zo snel mogelijk rendement. Een niet-coöperatieve onderneming is met andere woorden ‘winstgedreven’. Bij een coöperatieve onderneming ligt dit fundamenteel anders. De vereniging van eigenaren – de coöperatie – bestaat namelijk uit gebruikers van de onderneming. De leden zijn klanten of leveranciers van de coöperatie. Die zijn er niet op gericht om die coöperatieve onderneming winst voor hen te laten maken, maar ze willen wel dat het hen persoonlijk economisch voordeel oplevert. Zij willen door die onderneming op een bepaalde manier bediend worden. Zo voordelig mogelijk, zo gemakkelijk mogelijk, zo zeker mogelijk, zo veilig mogelijk, zo dicht mogelijk bij huis, zo duurzaam mogelijk, of welk doel die leden ook mogen hebben. Essentieel is dat de coöperatie van eigenaren – de vereniging van gebruikers – op de eerste plaats geïnteresseerd is in wat die onderneming voor hen doet. De vraag hoeveel winst die onderneming maakt is een afgeleide: een middel. Daarom wordt er bij een coöperatie ook niet gesproken over winst maar over exploitatiesaldo.

De waarde van een coöperatie

Een coöperatieve onderneming wordt bestuurd en gecontroleerd door leden die zich afvragen of ze er als klant of als gebruiker wel voldoende aan hebben en of de onderneming zich wel houdt aan het doel dat de leden zich gesteld hebben. In een coöperatieve onderneming gaat het om waar het volgens de economische theorie in elke onderneming om hoort te gaan: waarde creëren voor je klanten of gebruikers, de leden. Overigens betekent dit natuurlijk niet dat er in een coöperatieve onderneming niets verdiend hoeft te worden. Als de coöperatieve onderneming verlies maakt of niets kan investeren, valt er ook geen gebruik meer van te maken. Maar de volgorde in doelstelling is principieel anders. In menig handboek staat dat een onderneming er is om waarde te creëren voor haar klanten. Je hebt per slot van rekening klanten nodig om iets aan ze te kunnen verdienen. Hier zit een belangrijk verschil tussen een private onderneming en een coöperatie. In principe kan een ondernemer of belegger kiezen voor iets anders: voor andere producten en/of andere klanten, voor andere marktsegmenten waar meer valt te verdienen. Voor een coöperatieve onderneming geldt dat niet. Die is verbonden met haar gebruikers.

Vereniging

Belangrijk bij dit alles is dat een coöperatie een vereniging van gebruikers is. De coöperatieve onderneming is een op zichzelf staande entiteit of rechtspersoon, en de leden blijven ook zelfstandig. Het kan soms wel zo zijn dat de leden financieel aansprakelijk zijn voor eventuele tekorten van de coöperatieve onderneming, maar ze vormen geen onderdeel van die coöperatieve onderneming. De meeste coöperaties kennen een uitgesloten aansprakelijkheid (u.a.), naast beperkte (b.a.) of volledige (w.a.) aansprakelijkheid. Binnen de democratische structuur van de coöperatie overleg je en stem je op basis van argumenten en uiteindelijk geeft de meerderheid de doorslag. Die afhankelijkheid van een meerderheid zal sommigen akelig in de oren klinken, maar in de coöperatieve praktijk valt dat mee. Ten eerste heb je als leden iets gemeen: je bent allemaal onderdeel van de keten van gebruikers en er bestaat geen externe druk van beleggers. Op de tweede plaats is bij de oprichting een gemeenschappelijk doel geformuleerd waaraan de coöperatieve vereniging zich heeft te conformeren. Ook dat maakt dat er niet zo gauw vreemde beslissingen genomen zullen worden. En op de derde plaats worden de bestuursleden weliswaar gekozen, maar dat zijn ze in principe zonder last of ruggenspraak. Ze zitten niet in het bestuur namens een bepaald deel van de leden maar ze zitten er voor de coöperatie als geheel. Dit uitgangspunt is één van de manieren waarop het coöperatieve besef wordt bewaakt dat men elkaar uiteindelijk wel nodig heeft.

Ledenbetrokkenheid

Ledenbetrokkenheid is een cruciale voorwaarde voor een coöperatie. Als je een sfeer van vertrouwen wilt behouden moeten leden ook weten wat er speelt. En dat weten moet van twee kanten komen. De coöperatie moet volstrekt transparant zijn en naar alle leden willen luisteren. En de leden moeten actief nota nemen van wat bestuur en andere leden te melden hebben en hun eigen wensen of aarzelingen ook actief ventileren. Gelukkig is de kans daarop groot omdat de leden niet alleen lid en financier zijn, maar ook gebruik maken van hun coöperatie om hun eigen doel te kunnen realiseren. Daarnaast is zeggenschap van de leden een belangrijk kenmerk van coöperaties. De aspiratie van de leden staat immers centraal. Het ideaal van een coöperatie is dat ze actief bestuurd wordt door betrokken leden die er belang bij hebben. De betekenis en de meerwaarde van een coöperatie zit in het feit dat de klant/investeerder verbonden is met de onderneming. Hij is geen lid om weg te lopen als het even tegenzit. Dat betekent dat er binnen een coöperatieve onderneming een heel andere afrekencultuur bestaat dan bij andere ondernemingen. Ze zijn immers niet beursgenoteerd maar lidgenoteerd. Je kunt niet alleen verwijzen naar een beursnotering (of een prijsnotering) maar je zult voortdurend moeten overwegen en heroverwegen waar de leden belang bij hebben. Zoals we eerder stelden: de interne markt van een coöperatie is geen anonieme markt, maar een democratische arena. Dat is de plek waar bestuur en management zich moeten verantwoorden tegenover de leden. Veel managers en bestuurders formuleren die verantwoording in termen van ‘kunnen uitleggen’. En dat bedoelen ze niet vrijblijvend. Op de eerste plaats betekent ‘kunnen uitleggen’ dat je ook moet weten wat het belang is van de leden en wat die leden als hun belang ervaren. Maar op de tweede plaats kun je betrokken mensen niet zomaar iets op de mouw spelden. Betrokken mensen stellen kritische vragen: Wat heb ik daaraan, hoe staat het met de prijs, met de kwaliteit, met het rendement op mijn geld, met de toekomst? ‘Kunnen uitleggen’ is daarmee een hele goede disciplineringsmethode mits de leden actief betrokken blijven. Het in stand houden van ledenbetrokkenheid en de interne democratie is een belangrijke taak binnen coöperaties. Een taak die primair ligt bij het bestuur van de coöperatieve vereniging en niet zozeer bij het management. Eigenlijk heeft het bestuur tot taak zijn eigen oppositie te creëren. De leden moeten als het ware gekieteld worden om wakker te blijven. Anders dreigt het voortdurende gevaar dat de coöperatieve onderneming een ‘gewone’ onderneming wordt. Qua organisatie speelt dit gevaar als een coöperatie sterk groeit, bijvoorbeeld door fusies. Dan kan het voor de leden een ver-van- mijn-bed show worden. Vaak wordt dan gekozen voor een getrapte zeggenschap waarbij de discussie in regionale kringen wordt gevoerd en doorgegeven aan centrale vertegenwoordigers. Opvallend daarbij is dat directies en besturen van coöperatieve miljardenbedrijven nog altijd de moeite nemen om op vele van dergelijke regionale vergaderingen aanwezig te zijn omdat het loont, in respons en ledenbetrokkenheid.

De centrale uitgangspunten van coöperatief ondernemen

De oprichters van de eerste coöperatie, de Rochdale coöperatie in Engeland, formuleerden principes of regels (The Rochdale principles of Co-operation 1937), waarbij zij gebruik maakten van eerdere ervaringen en die nu nog altijd aan de basis liggen van moderne coöperatieve ondernemingen. De International Co-operative Alliance (ICA ) presenteerde in 1995 een geactualiseerde invulling van de basiswaarden en principes voor coöperatief ondernemen. Deze basiswaarden en principes worden wereldwijd als maatstaf voor coöperatief ondernemen gehanteerd.

De zeven ICA-principes zijn:

  1. Open en vrijwillig lidmaatschap. 
    Coöperaties zijn gebaseerd op vrijwilligheid, je kunt niet verplicht worden om lid te worden. Ze zijn open voor iedereen die gebruik kan maken van hun diensten en die verantwoordelijkheid als lid wil opnemen – zonder enige discriminatie op basis van gender, sociale afkomst, ras, politieke voorkeur of religie.
     
  2. Democratische controle door de leden. 
    Coöperaties zijn democratische organisaties die door hun leden worden gecontroleerd. De leden participeren actief in het uitstippelen van het beleid en in het nemen van beslissingen. Wie een verkozen mandaat krijgt, is verantwoordelijk voor de onderneming en verantwoordt zich tegenover de leden. Leden van een coöperatie hebben zeggenschap naar de mate waarin ze gebruik maken van de coöperatie. De manier waarop met die regel wordt omgegaan verschilt sterk. Op zich is het logisch dat de mate van zeggenschap evenredig is aan de mate waarin leden gebruik maken van de coöperatie (en waarin ze erin investeren). Niettemin zijn er veel coöperaties waarin – als het ware om elk democratisch misverstand te voorkomen – de regel ‘one man one vote’ geldt. Het belangrijkste verschil met andere vormen van ondernemerschap is dat bij coöperaties het belang van de leden-gebruikers centraal staat en niet het rendement op ingebracht vermogen. Dat geeft een andere focus.
     
  3. Economische participatie van de leden. 
    Zoals een beursvennootschap haar financiering haalt bij externe beleggers, zo moet een coöperatie het hebben van gebruikers die er geld in willen steken. Als de leden niet de financiers zijn, zijn ze ook niet de eigenaars en hebben ze ook niet de zeggenschap. Er zijn een aantal zaken die dat financieren kunnen vergemakkelijken. Op de eerste plaats een aansprakelijkheid van de leden. De coöperatie gaat verplichtingen aan (bijvoorbeeld leningen) en de leden zijn daar aansprakelijk voor (alleen indien de coöperatie liquideert). Bij een beginnende coöperatie is dat vaak goed te doen, maar zeker na enige groei zal men daar wat huiverig over worden. Alternatieven voor financiering zijn een stevig entreegeld en een veel gebruikte methode is om het financiële exploitatiesaldo zoveel mogelijk binnen het bedrijf te houden. Zo bouwt het coöperatieve bedrijf een eigen vermogen op, op basis waarvan de onderneming minder afhankelijk wordt van de leden. Dit alles leidt tot bijzondere coöperatieve situaties: De eerste is dat coöperaties – net als andere verenigingen en stichtingen – in de loop der jaren kapitaal kunnen opbouwen ‘in de dode hand’. Dat klinkt heel treurig, maar het komt erop neer dat het geld dat in de coöperatie (of de vereniging) achterblijft, eigendom wordt van het coöperatieve bedrijf en dus eigenlijk van niemand. In wezen heeft de coöperatieve vereniging alleen het vruchtgebruik: het betreffende vermogen is van de coöperatie maar tegelijk is het van niemand. De leden kunnen het doorgaans niet opeisen, behalve bij liquidatie. Een bekend voorbeeld van dit fenomeen is de Rabobank: een van de meest kredietwaardige banken ter wereld die uiteindelijk van niemand blijkt te zijn. Niemand kan op dit vermogen aanspraak maken. Leden hebben wel inspraak over de aanwending van het vermogen. Jaarlijks wordt een deel van de winst (die anders zou zijn uitgekeerd aan beleggers) in de coöperatie gehouden. Op zich zou je dat deel op naam van de leden kunnen laten staan, maar dan creëer je toch weer een soort aandeelhouderschap dat op termijn een scheefheid in de zeggenschapsrelatie kan geven. Niettemin zien we de laatste decennia wel de invoering van vermogen op naam. Om te bewaken dat het gebruik en niet het rendement op ingebracht vermogen centraal blijft staan, is het zaak dat de leden investeren naar de mate waarin ze van de coöperatie gebruik maken. Het effect van die regel is dat het rendement op ingelegd vermogen geen bijzondere rol hoeft te spelen in de discussie: elk lid investeert per eenheid gebruik en of de coöperatie het goed of slecht doet merk je ook per eenheid product. De leden van de coöperatie krijgen een beperkt rendement op het ingebracht vermogen. In sommige landen is dit zelfs wettelijk vastgelegd. De uitkering van deze winst (of: exploitatiesaldo) is gebaseerd op de conditie van de relatie tussen de leden en de coöperatie.
     
  4. Autonomie en onafhankelijkheid. 
    Coöperaties zijn autonome, zelfredzame organisaties onder toezicht van de leden. Als ze overeenkomsten aangaan met andere organisaties en/of met overheden, of als ze extern kapitaal aantrekken, doen ze dat op zo’n manier dat de democratische controle van de leden en de autonomie van de coöperatie gewaarborgd is.
     
  5. Onderwijs, vorming en informatie. 
    Coöperaties voorzien leden, bestuurders, directie en werknemers van onderwijs en vorming, zodat zij werkelijk kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van hun coöperatie. Zij informeren het grote publiek over de aard en de voordelen van coöperatief ondernemen. In een coöperatie gaat het in wezen vooral om de vraag wat het ledenbelang nu eigenlijk is. Die vraag is helemaal niet zo simpel. En toch: als een coöperatie aan haar doelstellingen wil voldoen moeten niet alleen bestuur en directie maar ook de leden kunnen uitleggen wat volgens hen belangrijk is. Dus niet alleen de scholing en opleiding van bestuursleden van de coöperatieve vereniging is van belang maar zeker ook de scholing van de (kader-)leden. Met het opleiden van haar leden zorgt de coöperatie ervoor dat deze leden kunnen groeien in hun vak, en dat ze het succes van hun bedrijf kunnen vergroten.
     
  6. Samenwerking tussen coöperaties.
    Door samen te werken in lokale, regionale, nationale en internationale structuren, versterken coöperaties de coöperatieve beweging en bieden ze doeltreffende dienstverlening aan hun leden.
     
  7. Zorg voor een duurzame maatschappij.
    Coöperaties dragen bij aan de duurzame ontwikkeling van de samenleving. Coöperaties zetten zich in voor hun leden en (lokale) gemeenschappen. Een coöperatie onderneemt in het economische belang van haar leden. Winst is hierbij een middel en geen doel. De ontwikkeling op lange termijn staat bij de coöperatie centraal. Zorg voor de samenleving en duurzaamheid zijn hier onlosmakelijk aan verbonden.

Meer informatie over coöperaties is te vinden in NCR Publicaties of bijvoorbeeld door deel te nemen aan de NCR Basiscursus Coöperatie.